Vilsbiburg onderzoek

Hoe gezond is het stadje Vilsbiburg?

Het is al ruim veertig jaar geleden dat een zekere Gustav baron von Pohl bij de uitgeverij Jos. C. Huber te Diessen aan de Ammersee een smal bandje het licht deed zien: ‘aardstralen als ziekteverwekkers.’
Als geopathogene zones in het geding zijn en er van de het eerst door wichelroedelopers geconstateerde ‘kankerstroken’, ‘kankerpunten’ en ‘kankerbedden’ sprake is, dan kunnen wij dit opmerkelijke boekje uit 1932 niet over het hoofd zien.
Het is geen werkje zonder feilen of zwakke plekken. Pohl heeft het over áardstralen’. Een ongelukkig gekozen begrip, dat onder fysici alleen hoofdschudden of spot opriep.
Toch beschrijft Pohl, en wel voor het eerst in de literatuur, een aantal serieuze experimenten die het bestaan van kankeroproepende prikkelstroken en –kruisingen aantonen.
De prikkelstroken die daarvóór slechts in de vermoedens, onderstellingen en gevoelsuitlatingen van sommige wichelroedelopers bestonden.
Opzet en uitvoering van Pohls experimenten waren zo ongewoon, dat het de moeite waard is, ze in herinnering te roepen en er nog wat nader op in te gaan. Dit te meer omdat heronderzoek met een moderne methode vrij recent bevestiging van het toen ontdekte heeft geleverd.
‘Wij zijn voor het opsporen en constateren van de onderscheidende sterkten van aardstralen voorlopig nog aangewezen op de wichelroede in de hand van de begaafde en ervaren wichelaar’, schreef baron von Pohl. Hij sloeg de waarde van ervaring vooral zo hoog aan omdat er tot zijn spijt nog geen instrument bestond ‘waarmee men de ongetwijfeld verschillende golflengtes der aardstralen kan bepalen.’
En zolang dat nog niet het geval was, kon alleen een getalenteerde en geroutineerde wichelroedeloper beoordelen, of de gepeilde straling sterk genoeg was om een mens ernstig in gevaar te kunnen brengen. Volgens Pohl ontstaat kanker alleen op grond van inwerking van een straling die op zijn scala boven de sterkte 9 ligt.
Vijfentwintig jaar lang had de auteur met behulp van een wichelroede een groot aantal ‘kankerbedden’ onderzocht, en daarbij vastgesteld dat de bedden van kankerpatiënten zonder uitzondering boven zodanige zones stonden waar hij intensieve stralingen had geconstateerd. Om nu aan te tonen dat deze afzonderlijke constateringen niet op toeval berustten, was het naar zijn mening éindelijk noodzakelijk, dit bewijs wetenschappelijk onberispelijk in een besloten stadsgebied te leveren.’
Hij concentreerde zich daarbij uitsluitend op kanker, omdat deze aandoening volgens zijn ervaring slechts door een bijzonder krachtige straling wordt opgeroepen, en hij was ervan overtuigd dat het hem geen moeite zou kosten dergelijke zones in elke plaats op te sporen. Natuurlijk mocht de wichelroedeloper niet met de gekozen stad bekend zijn. Hij mocht, ten bate van objectiviteit, geen kans hebben, zich door lokale kennis voordelen te verschaffen, d.w.z. door contacten met inwoners geïnformeerd te worden over aantallen sterfgevallen als gevolg van kanker.
Zijn taak was de naar zijn ervaring kankeroproepende prikkelstroken in een stad te vinden en deze op de plattegrond in te tekenen. Na voltooiing zou deze kaart dan van officiële zijde op de volgende manier aangevuld moeten worden: op basis van de overlijdensakten moesten vervolgens die huizen worden gemerkt waarin mensen aan kanker overleden waren. Daardoor kon dan de bewering van baron von Pohl, dat alle kankersterfgevallen boven de door hem ingetekende zones hadden plaatsgevonden, gecontroleerd worden.

Hoe nauwkeurig Pohl te werk ging, blijkt misschien wel het best uit zijn eigen beschrijving: ‘bij dit onderzoek kwamen niet alleen de betrokken huizen in aanmerking, maar ook moest, voor elk geval afzonderlijk, de sterfkamer, en daarin plaats en richting van het bed waarin de aan kanker overledene steeds had geslapen, worden bepaald om er achter te komen of dat bed inderdaad precies op de door mij ingetekende lijnen stond of had gestaan.’
Opdat de wichelroedeloper tijdens onderzoek van de terreinen, die geheel te voet werden afgelopen, geen informatie kon inwinnen, moest er ook controle van ambtelijke zijde zijn. Het lag immers in de aard van zijn taak, dat hij vele huizen en tuinen moest betreden om daar bodemprikkels te peilen en te volgen. Mogelijk ook zouden vele bewoners hem, zonder ambtelijke begeleiding, de toegang tot de percelen hebben geweigerd.
Al deze door hemzelf bedachte maatregelen tonen wel aan hoe zeker baron von Pohl zich van zijn experimentele onderneming moet hebben gevoeld. Deze áardstralen’ waren voor hem kennelijk een zodanige werkelijkheid als voor ons een beek of rivier is.
Over het begin van zijn experiment deelt Gustav baron von Pohl mee: ‘daartoe wendde ik mij in december 1928 tot burgemeester J. Brandl van de stad Vilsbiburg in Neder-Beieren, die ik enkele maanden daarvoor had leren kennen, toen ik van een aldaar gevestigde brouwerij, die meer water nodig had, ter bepaling van een boorpunt naar Vilsbiburg was geroepen. Ik was daarvóór nog erna in Vilsbiburg geweest, waar ik tevoren ook niemand kende. Vilsbiburg ligt aan weerskanten van de naar het noordoosten stromende Vils, een zijrivier van de Donau. In het eigenlijke, bij Vilsbiburg wat versmalde dal van de Vils staan slechts enkele huizen van deze stad; het oudere, grotere deel ervan ligt op de flauw stijgende westelijke helling van het dal, en het kleinere deel van de stad op de aanvankelijk ook licht glooiende maar daarna steil klimmende oostelijke helling. Het bestaat uit 565 huizen met omstreeks 900 woningen en telt 3300 inwoners.
Voor een onderzoek als de bedoelde leek mij een kleine stad vooral om deze reden geschikt: een bevolking is er meer gezeten en verhuisd minder dan in grote steden het geval is. De omstandigheid dat in provinciestadjes het merendeel van de huizen sinds generaties in het bezit van dezelfde familie pleegt te zijn, bood wellicht tevens mogelijkheid voor onderzoekingen over erfelijkheid voor kanker.
Burgemeester Brandl zegde zijn medewerking aan de proef toe. Hij zou voor officiële, ambtelijke controle en politiebegeleiding zorgen. Bovendien wist hij districtarts dr. Bernhuber voor het experiment te interesseren, en te bewegen op grond van de overlijdensakten een lijst van kankersterfgevallen op te stellen.
De belopen van het terrein en tegelijk intekenen van gevaarlijke bodemstroken op de kaart vond van 13 tot 19 januari 1929 plaats. Pohl was de meeste tijd in gezelschap van een wachtmeester van de politie, die zelf pas een jaar in Vilsbiburg woonde en daarom over het thema kankersterfte wel nauwelijks geïnformeerd kon zijn. Uren en uren sloten ook de burgemeester en andere ambtenaren zich bij de voettocht aan.
‘Over het algemeen heerste de mening, die ik overigens pas na de voltooiing van mijn werk en na vergelijking van mijn kaart met de lijst van de districtarts, van allerlei kanten hoorde, dat mijn onderzoek onmógelijk het door mij beweerde succes zou kunnen hebben’, deelde Pohl mee. ‘Het aflopen van Vilsbiburg was in deze week geen door het weer gezegend genoegen. Er lag vrij hoog sneeuw, die ons gaan soms zeer bemoeilijkte, en wachtmeester Schachtner, met wie ik door tuinen en tussenliggende velden sjouwde, toonde duidelijk ongenoegen over het urenlange kou lijden in soms felle sneeuwjacht, terwijl ik mijn peilingen op de kaart intekende.


Gedeelte van een plattegrond van Vilsbiburg. De door baron Von Pohl in 1929 geconstateerde geopathogene zones zijn gearceerd, de + tekens geven de huizen aan, waar mensen aan kanker overleden waren.

Aan het eind van de middag van 19 januari 1929 volgde toen de vergelijking van de intekeningen op de kaart met die op de lijst van kankersterfgevallen. Bij deze verificatie waren de burgemeester, de loco-burgemeester, politieambtenaren en nog enkele andere heren aanwezig. Bij elk geval waarin de plek, waar iemand aan kanker was overleden, met Pohls intekening op de kaart overeenstemde, zette de burgemeester een rood kruis. Daarbij ging men zó nauwkeurig te werk dat men zich niet alleen tot het betreffende huis beperkte, maar de gevaarlijke zone nader preciseerde door afzonderlijke kamers en zelfs hoeken (plaats van het bed) daarvan aan te geven.

Over het resultaat deelt baron von Pohl dit mee:
‘Uit het volledige onderzoek van mijn kaart bleek, dat alle bedden van de vierenvijftig aan kanker overleden mensen precies boven de door mij ingetekende stralingszones hadden gestaan. Het bewijs was geleverd!’

Inderdaad waren twee verbazingwekkende zaken gebleken: alle kankerbedden stonden boven de zones die door de wichelroedeloper als gevaarlijk voor de gezondheid waren aangemerkt. Buiten de op de kaart ingetekende zones was geen enkel sterfgeval door kanker voorgekomen.
Het verband tussen ziek worden aan kanker en zeer lokale factoren kan derhalve niet worden ontkend. Maar gelijktijdig optreden zegt nog niets over een eventueel oorzakelijk verband.

 

De resultaten van de in het officiële rapport vastgelegde blindproef waren zo indrukwekkend dat de aandacht moesten trekken. Betwijfeld worden konden ze op grond van de scherpe controlemaatregelen wel nauwelijks. Daarom bedachten de sceptici iets anders. Zij meenden nu dat de opgave te gemakkelijk was geweest, omdat er in Vilsbiburg te veel kankersterfgevallen waren voorgekomen. Dat was weliswaar niet bepaald logisch, omdat dat niet verklaarde waarom kankergevallen sléchts boven de prikkelzones waren voorgekomen. Maar ook dit ‘bezwaar’, hoe aanvechtbaar ook, moest worden ontzenuwd. Daarom besloot baron von Pohl, ook nog een hem wederom onbekende plaats te onderzoeken waar de sterfte aan kanker minimaal was en andermaal onder strenge controle.

Prof. Blumenthal, secretaris van het dagelijks bestuur van het Duitse Genootschap ter bestrijding van Kanker wilde daar speciaal een commissie voor samenstellen.
Het Beierse bureau voor de statistiek vervolgens deelde mee, dat Grafenau in het Beierse woud de stad met het geringste percentage kanker was. Omdat de voor de commissie aangezochte artsen echter niet allen tegelijk weg konden nam districtsarts dr. Grab, op verzoek van het Genootschap, de leiding, controle en het onderzoek van von Pohls experimenten op 4 en 5 mei 1930 in Grafenau op zich. Deze deelt daarover mee:
‘Het idyllisch gelegen Grafenau telt ongeveer tweeduizend inwoners. Zoals ik al vermoedde waren er relatief weinig de ontstaan van kanker begunstigende uitstralingsstroken, waarvan er één in zijn bepaling wat lastig bleek, omdat hij zich onder een groot blok huizen,, dat door drie straten was ingesloten, in een tamelijk aantal smalle doch sterk gespannen armen vertakte, die pas onder het marktplein weer samenliepen.

Overlijdensakten waren in Grafenau sinds het jaar 1914 bijgehouden. In de sindsdien verlopen zeventien jaar waren daar slechts zestien mensen aan kanker overleden. De districtsarts had voorts nog een andere, kort daarvoor klinisch als kanker herkende ziekte op zijn lijst genoteerd. Het onderzoek door de districtsarts naar mijn peilingen en intekeningen op de kaart wees uit, dat ook in Grafenau de bedden van de aan kanker overleden mensen evenzeer als de bedden van nog levende kankerpatiënten alle precies boven de door mij ingetekende zones stonden. Van deze gevallen waren er alleen al vijf in het bovengemelde huizenblok voorgekomen.
Het bewijs was derhalve ook in een stad met zeer weinig kanker andermaal geleverd.

Onbekend is jammer genoeg hoe het Genootschap ter onderzoeking en bestrijding van kanker in Berlijn hier op heeft gereageerd. In elk geval is nergens vernomen dat enige officiële instantie de toch wel alarmerende aanwijzingen verder zou zijn nagegaan.
De bewijsvoering van baron von Pohl was daarmee nog niet geheel afgerond. Na het aflopen van Grafenau bereikte hem het bericht dat sinds de opstelling van het rapport in Vilsbiburg daar nog meer mensen aan kanker waren overleden. Districtarts dr. Bernhuber verklaarde zich bereid, opnieuw een lijst op te stellen. Daarna werden deze notities, in aanwezigheid van diverse getuigen, weer met Pohls kaart vergeleken. 

Het daarvoor opgemaakte controleverslag luidt:
‘Het hier opgemaakte verslag van de 20ste januari 1929 inzake de kankeronderzoekingen van baron von Pohl, van Dacheau, momenteel in Vilsbiburg vertoevend, kan als volgt worden aangevuld:
De districtsarts, de heer Obenmedizinalrat dr. Bernhuber te Vilsbiburg, heeft een officiële lijst opgesteld over de in de periode van 1 januari 1929 tot en met 30 juni 1930 in de stad Vilsbiburg aan kankerziekten overleden personen. Deze lijst bevat elf namen, waarvan er voor het huidige onderzoek één moest worden uitgesloten, omdat de woning van de betrokkene niet op de kaart schaal 1: 1000 staat aangegeven.
Vergelijking van de hiervoor bedoelde tien gevallen, met de in januari 1929 door baron von Pohl ingetekende kaart van de ondergrondse stromingen van Vilsbiburg, heeft aangetoond dat alle tien sterfgevallen precies boven dergelijke ondergrondse stromen hebben plaatsgevonden.
Vilsbiburg, 11 augustus 1930 (gemeentestempel) B & W van de stad Vilsbiburg, Schöx, burgemeester.

Bij het opstellen van het eerste verslag hadden notabelen van Vilsbiburg baron von Pohl gevraagd, waarom toch in negen bepaalde huizen, waaronder volgens zijn gegevens een sterke ondergrondse stroming bestond, geen gevallen van kanker waren voorgekomen. De wichelroedeloper had daarop geantwoord dat de overlijdensakten tot niet ver genoeg in het verleden teruggingen om over eventuele daar vroeger voorgekomen kankersterfgevallen iets te kunnen zeggen.
Maar in de toekomst zouden daar stellig mensen aan kanker ziek worden. Dit onheil voorspelling bleek al anderhalf jaar later werkelijkheid geworden: in twee van de betreffende negen huizen hadden intussen mensen kanker gekregen.
‘Dit derde bewijs, dat kanker alleen in intensief bestraalde bedden ontstaat, heeft op de artsen wie dit bekend werd, wellicht een nog diepere indruk gemaakt dan het eerste verslag, van Vilsbiburg, en het verslag van Grafenau’, schrijft Pohl. Ík kon immers, wat mij door diverse artsen ook is bevestigd, in januari 1929 onmógelijk weten of vermoeden, in welke bedden in een stad van 3300 inwoners in de volgende anderhalf jaar mensen aan kanker ziek zouden worden of sterven. Toch was dit al sinds januari 1929 van mijn kaart af te lezen geweest!’
De resultaten van baron von Pohls onderzoek werden in 1930 in het vaktijdschrift voor kankeronderzoek gepubliceerd.
Dr. Hager, voorzitter van de wetenschappelijke vereniging van artsen in de stad Stettin, was hier zo van onder de indruk dat hij een plaatselijk controleonderzoek liet verrichten. Het bureau voor de statistiek stelde een lijst op van de sinds 1910 in Stettin aan kanker overleden mensen. Daarbij bleek dat ‘kankerhuizen’ inderdaad bestaan.


Het alignement van Menec. De onderzoeken wezen uit dat dit alignement parallel ligt aan de tellurische stromen, die er op de een of andere manier door gecontroleerd worden.

Van de in totaal 5348 aan kanker overleden patiënten hadden er in een huis 8, in een ander 9, en in vijf andere samen 190 gelegen. Voldoende aanleiding voor weer nader onderzoek. Ook hier werd bij gebrek aan een meettoestel een wichelroedeloper ingeschakeld. Ook deze stelde een sterke straling vanuit de bodem vast bij alle huizen waarin mensen aan kanker waren gestorven.
De ‘kankerhuizen’, d.w.z. huizen waarin het aantal gevallen van kanker relatief hoog was, stonden boven kruisingen van dergelijke prikkelzones. 
Zeer onthullend werd het onderzoek van een aantal hofjes in Stettin, omdat daar een vergelijkbaar ‘ziekenbestand’ woonde. Alle mensen waren daar van een leeftijd waarop kanker het meest voorkomt. Nu bleek dat in een der hofjes binnen twee decennia achtentwintig mensen aan kanker waren overleden, in het tweede slechts twee, terwijl in het derde hofje geen enkel geval van kanker geconstateerd was.
Het onderzoek door de wichelroedeloper wees uit het eerste hofje boven een kruising van prikkelstroken was gebouwd, terwijl het tweede slechts door twee smalle stroken getroffen werd. Maar rond het derde hofje sloeg de wichelroede van de radiëstheet in het geheel niet om. Dr. Hager bracht op grond hiervan voor de door hem geleide medische vereniging tot uiting, dat de door de wichelroedeloper geconstateerde áardstralen’ inderdaad de oorzaak van het ontstaan van kanker zouden kunnen zijn.
De experimenten van baron von Pohl en de gegevens van dr. Hager in Stettin stemmen tot nadenken. De aanwijzingen zijn té sterk dan dat men ze maar zonder meer als ‘niet overtuigend’ van de hand zou kunnen wijzen. Een zwak punt in de bewijsvoering is in wetenschappelijke zin de omstandigheid dat de resultaten per wichelroede werden geboekt. Daarom worden dergelijke constateringen ‘niet objectief’ genoemd, wat overigens iets anders is dan dat ze dus onjuist zijn.
Maar onbetwistbaar is ook, dat meetinstrument mens, in tegenstelling met een technisch apparaat, al te gemakkelijk kan worden beïnvloed. Volledig vertrouwen kan men alleen een meetinstrument waarvan een ‘wijzeruitslag’ bij willekeurige herhalingen telkens opnieuw gereproduceerd kan worden. Het heeft sindsdien dan ook niet aan pogingen ontbroken, de vaststelling van de wichelroedelopers te objectiveren. Een der bekendste proeven werd in het jaar 1934 uitgevoerd door de voorzitter van de artsenkamer van Marburg, dr. Viktor Rambeau. Omdat wichelroedelopers steeds maar beweerden dat zij prikkelstroken boven geologische breuken of verschuivingen hadden gevonden, besloot hij gebruik te maken van het geoscoop en de geostaat van dr. Machts, een toestel voor het opsporen van breuken en verschuivingen, dat door geologen als bruikbaar was erkend.
Voor het onderzoek werden drie dorpjes in de buurt van Marburg willekeurig uitgekozen. Alleen werd er op gelet dat de bewoners zoveel mogelijk ‘gezeten’ waren. In de achtenzeventig huizen van deze drie dorpjes woonden destijds 417 mensen. Daarbij konden 52 namen van mensen worden achterhaald die in deze huizen waren overleden, waarvan 23 met stelligheid als gevolg van kanker. Een aantal anderen, die vermoedelijk eveneens aan kanker waren overleden, werden in de statistiek niet opgenomen, omdat de diagnose kanker niet net zekerheid gesteld had kunnen worden.
Voor de metingen begonnen werden nauwkeurige geologische kaarten gemaakt. Daarna werd eerst dorp C, met 24 woonhuizen en 129 daarin wonende mensen, onderzocht. Voor de statistiek kon men ook nog tien andere voormalige inwoners achterhalen die in deze huizen waren gestorven. Dr. Rambeau resumeert: álle gevallen van carcinoom, in het totaal zes, liggen boven duidelijke breuken en verschuivingen met een relatief wijde uitslag van ons meetinstrument. Opvallend is voorts het meer dan gemiddeld voorkomen van nog andere ziekten (reumatiek, jicht, geestesziekten) boven geologische breuken en verschuivingen. Van dergelijke gevallen konden er in totaal twintig worden aangetekend.

Dorp H., dat als tweede werd onderzocht, telde 34 huizen met 156 daarin wonende mensen. Zevenendertig waren er in deze huizen gestorven, waarvan in acht gevallen kanker als doodsoorzaak was aangetoond. Opnieuw bleek dat in de geologisch het gunstigst geplaatste huizen geen kankergevallen waren voorgekomen, terwijl de ‘kankerhuizen’ alle boven breuken stonden.


Een resultaat van de metingen van dr. Rambeau, in 1934 in Biologische Heilkunst
Gepubliceerd. (vlgs. Aschoff).

Tenslotte onderzocht dr. Rambeau dorp G, waaronder twee evenwijdige trapbreuken plus twee smallere breuken verliepen. Een ervan liep onder de huizen 23, 7, 11 en 14. Andere huizen stonden boven verschuivingen. In totaal werden bij het onderzoek twintig huizen met 132 bewoners betrokken, waaronder vijftien sterfgevallen die in deze huizen hadden plaatsgevonden.
Volgens de kaart moet men de gevallen van kanker met stelligheid in de huizen nr. 1, 2, 3, 10, 23, 6, 7, 11, 12, 14, 15 en 17 verwachten. In de huizen, waarvan de nummers onderstreept zijn, zijn ook inderdaad gevallen van kanker voorgekomen,’ schrijft dr. Rambeau. In het geheel zijn negen gevallen van carcinoom aangetekend en acht andere ziektegevallen, die eveneens met de aardtektoniek in verband zouden kunnen staan. In dit dorp bestaan zonder twijfel zeer overzichtelijke geologische verhoudingen, en de laatste twijfel aan een rechtstreeks of indirect oorzakelijk verband tussen geologische breuken en verschuivingen enerzijds en het kankervraagstuk anderzijds moet verdwijnen. Men zou in dit geval volgens de gevallen van kanker zelfs de waarschijnlijke richting van de breuken en verschuivingen kunnen aangeven.
Dr. Rambeau gaat intussen zeker niet zo ver, dat hij in de bodemfactoren de enige oorzaak van kankeraandoeningen alsmede het ontstaan van andere ernstige chronische ziekten ziet. Hij legt er daarom de nadruk op dat hij in de gevaar lopende huizen ook voldoende mensen heeft aangetroffen die gezond waren en een hoge leeftijd hadden bereikt. Aanleg en verminderde weerstand van de betrokkenen moeten volgens hem als andere belangrijke factoren in aanmerking worden genomen.
Hij wijst echter ook op het ondubbelzinnige resultaat van zijn statische studie, dat buiten het geologisch gestoorde gebied geen enkel geval van kanker werd geconstateerd. Volgens de kansrekening zouden in de zestien volledig ‘gestoorde’ huizen van de in totaal achtenzeventig stuks drie tot vier gevallen van kanker hebben moeten optreden.


Controlemeting van een door van Pohl als geopathogeen aangeduide Zone met behulp van de scintillatiemeter van stängle. 
(overgenomen uit Stängle: Grundstrahlungsmessungen über geopathischen Reisstreifen; Wetter – Boden – Mensch, afl. 18, 1973.)

Dr. Rambeau besluit aldus: ‘wij hebben in onze statische studie het huis gezocht dat boven geologisch ongestoord terrein staat en toch kankeraandoeningen vertoont; wij hebben dat huis niet gevonden. De waarde van dit inzicht moet van groot belang worden geacht en rationele kankerprofylaxe beslist mogelijk maken.’
In verband met deze al historische onderzoeken moet ook een studie van Jakob W. F. Stängle worden aangehaald. Deze heeft, om de gunstigste plekken voor boringen ter ontsluiting van waterbronnen te ontdekken, een scintillatieteller ontwikkelt. Meting van de afwijkingen van de norm van de uit de bodem tredende straling staat betrouwbare conclusies inzake ligging, diepte en productiviteit van de ondergrondse waterstromen toe.
Met dit toestel ging Stängle vrij recent (1972) de door baron von Pohl in 1929 geconstateerde en bepaalde prikkelzones in Vilsbiburg na. Ter vergelijking was een kaart met de originele intekeningen van von Pohl beschikbaar. In het voor de metingen gekozen deel van Vilsbiburg waren volgens het onderzoek van die tijd negen gevallen van kanker voorgekomen. Stängle: ‘doel van mijn metingen was, voor de volgende vragen objectief reproduceerbare antwoorden toe te kunnen voegen:

  1. Bestaan boven deze prikkelzones bodemstralingsdeformaties, in de zin van verhoogde intensiteit van de straling?

  2. Tonen deze bodemstralingsdeformaties het voor waterlopen karakteristieke verloop?

Uit de metingen van Stängle bleek dat onder met behulp van de wichelroede vastgestelde bodemstroken inderdaad water stroomt, zoals baron von Pohl had vermoed. Op grond van zijn registratie gaf hij aan, dat de beide smalle stroken op tachtig tot negentig meter diepte een productiviteit van 2 tot 4 liter/seconde resp. op vijfendertig tot veertig meter diepte een productiviteit van 1 tot 2 liter/seconde hebben. De brede ondergrondse waterloop bezit zo een productiviteit van 2 tot 5 liter/seconde op tachtig tot vijfennegentig meter diepte.
De auteur resumeert: ‘uit mijn onderzoek is derhalve gebleken dat inderdaad precies boven de destijds gepeilde prikkelzones een energierijke straling van grote doordringende kracht en met meer dan tweemaal zo grote intensiteit uit de grond treedt als boven de omringende, normale grond. Daarmee kon het vermoeden van von Pohl over de oorzaak van de ziekteverwekkende invloed van dergelijke prikkelzones worden ondersteund. Het totnogtoe geldende bezwaar tegen de onderstelling van pathogene prikkelzones, met name door de ontbrekende mogelijkheid een en ander te objectiveren, kan na deze nieuwe resultaten van onderzoek niet langer gehandhaafd blijven.
‘Wellicht werd bij het onderzoek van samenhang tussen zogenaamde geopathogene zones en kankers een belangrijk punt niet voldoende ondubbelzinnig geëxposeerd.
Dergelijke samenhangen lijken te bestaan, kunnen nauwelijks meer worden ontkend. Dat houdt nog niet in, dat boven geopathogene zones bestaande stralingsgesteldheden als oorzaak voor kankeraandoeningen aanvaard moeten worden, althans niet als énige oorzaak. Veeleer lijken geopathogene zones aan het ontkoppelen van carcinomen deel te hebben en ook bij de ontwikkeling van tumoren een bepaalde rol te spelen. Dat zou op zichzelf al voldoende moeten zijn, alles in het werk te stellen om het bestaan van geopathogene zones plus de radiësthesie uit de schemering van gissingen te halen en ze nu objectief te weerleggen of te erkennen.
Bij deze pogingen zal men dit fundamentele inzicht niet kunnen missen: meetinstrument mens functioneert.
Ziekte kan een functionele storing in ontvanger en zender mens zijn. Gezondheid kan anderzijds worden bereikt als de arts ontvanger en zender mens ook met de kennis en de inzichten van een elektronfysicus onder de loep neemt.

De toekomst van de geneeskunde loopt door de fysica.
(Uit: Manfred Kohnlechner; in augustus sterft men niet. De invloed van straling op uw gezondheid.)